De Slobeend is een algemene verschijning op de Vogelplas
Starrevaart. De soort is het hele jaar aan te treffen. Alleen tijdens
strenge vorst trekt de soort weg. De grootste aantallen komen voor
tijdens de trek, van september tot in november maximaal 750 ex., en in
maart en april tot maximaal 500 ex. Dit betekent dat zowel in het
najaar als in het voorjaar de 1%-norm van 400 ex.[9]
overschreden wordt. De aantallen zijn vergelijkbaar met die van de
Meeslouwerpolder. Daar kwamen in het najaar zo'n 800 ex. voor, en werd
de toen gehanteerde 1%-norm van 1000 ex.[12] éénmaal
gehaald, op 22-2-1977.
Opvallend zijn de hoge aantallen die de laatste tijd in april worden
gezien. De doortrek overlapt met de vestiging van de lokale
broedpopulatie. Dit beeld wijkt af van het voorkomen van de Slobeend
in de Meeslouwerpolder voor 1985, toen de doortrek na half maart snel
afnam.
In de eerste jaren na de realisatie van de eerste fase van de
Vogelplas, 1988 en 1989, trad net als bij de Krakeend na
oktober steeds een terugval van de aantallen op. Rond deze tijd vond
regelmatig jacht plaats tot vlak naast de Vogelplas. Het is niet
duidelijk of dit ook de oorzaak is van de terugval. Een andere
verklaring zou kunnen zijn dat het voedselaanbod in de eerste jaren
niet groot genoeg was. De Slobeend is voor het voedsel immers
afhankelijk van het rustgebied. Vanaf 1993 doet het verschijnsel zich
niet meer voor.
De soort is een talrijke broedvogel, met de laatste jaren 8 tot 18
paren. In de eerste jaren werd vooral in het aangrenzende weidegebied
gebroed, waar in 1995 de tweede fase van de Vogelplas Starrevaart is
aangelegd. In de jaren topt 1995 is in dit broedbestand wel een
terugval opgetreden, tot 8 à 9 paren. Deze terugval trad voor bijna
alle weidevogels in het gebied op, en heeft wellicht te maken met het
gewijzigde gebruik van de percelen die reeds in eigendom van het rijk
en vervolgens in beheer van de provincie Zuid-Holland waren gekomen.